Literaire makers leggen pijnpunten van internationale samenwerking bloot
Hoe verschillend culturen kunnen zijn, blijkt soms juist uit de meest alledaagse situaties. Zo is de eenvoudige vraag ‘Hoe gaat het?’ in Suriname een vanzelfsprekende begroeting, waarop meestal kortweg ‘goed’ wordt geantwoord. In bepaalde delen van Nederland en België kan diezelfde vraag echter een veel persoonlijkere betekenis hebben. Dichter Stefanie Parisius-Sewotaroeno ontdekte tijdens haar internationale uitwisselingen dat zelfs zo een onschuldige begroeting tot misverstanden kan leiden. Het was een van de ervaringen die zaterdagvond in het Nationaal Archief Suriname werden gedeeld tijdens de paneldiscussie ‘Literaire samenwerking over de grenzen: The Good, The Bad, The Ugly en hoe het tóch lukt’.
Tekst en beeld Audry Wajwakana
Vier makers uit Suriname en de Lage Landen (Nederland en België) deelden hun ervaringen met internationale samenwerking. Naast Parisius-Sewotaroeno, initiatiefnemer van de discussieavond, namen Zoë Deceuninck (journalist en schrijver), Jonathan Tjien Fooh (dichter en schrijver) en Helen Weeres (dichter en kunstenaar) deel.
“Ik voelde mij eenzaam”
Stefanie Parisius-Sewotaroeno
De discussie, geleid door Sylva Koemar, ging verder dan culturele verschillen. Ook ongelijke machtsverhoudingen, commerciële belangen en financiële afhankelijkheid kwamen aan bod. De avond werd afgewisseld met gedichten van Jeffrey Quartier en Layny Wirjotaroeno.
Voor de initiatiefnemer bracht een schrijversresidentie van twee weken in Parijs in 2024 niet alleen nieuwe contacten op, maar ook gevoelens van uitsluiting met zich mee. Als enige Surinaamse deelnemer ervoer zij hoe verschillend makers uit Suriname, Nederland en België onderwerpen als kolonialisme en machtsverhoudingen benaderen.
Tijdens sommige gesprekken begreep zij haar collega’s niet en had ze het gevoel dat zij haar evenmin begrepen. “Ik voelde mij eenzaam”, zegt Parisius-Sewotaroeno. Dat leidde veelal tot frustraties en het gevoel niet volledig aan de gesprekken te kunnen deelnemen. Pas na gesprekken met de Nederlandse Weeres, die ook aan de residentie deelnam, ontstond meer wederzijds begrip.
Voor Weeres was die ervaring aanleiding om anders na te denken over begeleiding van internationale makers. Deelnemers moeten niet alleen de ruimte krijgen om te schrijven, maar ook om elkaar te leren kennen. Bij residenties die zij tegenwoordig mede organiseert, creëert ze daarom momenten waarop makers hun persoonlijke waarden, achtergronden en gevoeligheden met elkaar delen. Zo probeert zij een gezamenlijke basis te leggen om verschillen bespreekbar te maken en conflicten beter op te vangen.
Subjectieve beoordeling
Voor Deceuninck komen de culturele verschillen vooral tot uiting in de uiteenlopende opvattingen over welke verhalen uit Suriname relevant zijn voor de Nederlandse media. De Belgische journalist, die sinds 2017 in Suriname woont, merkte dat vooral Surinaamse verhalen over economische problemen, corruptie en politiek, belangstelling kregen in het buitenland.
De genuanceerde en persoonlijke verhalen die zij belangrijk vond, bleken moeilijker onder te brengen bij Nederlandse publicaties. “Wat Nederlanders interessant vinden aan Suriname is niet wat Surinamers interessant vinden aan Suriname”, benadrukt ze.
Ook bij de publicatie van haar boek ‘Welkom in Dangogo’ verliep niet alles zoals ze had gehoopt. Hoewel zij het boek, waarin zij verhalen over haar ervaringen in Suriname bundelde, het liefst eerst in Suriname wilde presenteren, vond de eerste boekpresentatie op verzoek van de Nederlandse uitgeverij in Nederland plaats. Echter, de belangstelling van de Nederlandse media bleef uit.
De commerciële kant van het schrijverschap is ook voor Sewotaroeno een struikelblok. Zij vertelt dat uitgeverijen haar werk hebben afgewezen of helemaal niet op haar voorstellen reageerden. Tegelijkertijd begrijpt zij dat uitgevers rekening moeten houden met de verkoopbaarheid van boeken. De uitdaging blijft hoe schrijvers hun brood kunnen verdienen zonder de verhalen die zij belangrijk vinden aan te passen aan de verwachtingen van een buitenlandse markt.
Uitsluiting
Ook Tjien Fooh, die in Nederland woont, worstelt met de vraag hoe hij zijn eigen schrijversstem kan behouden. Tijdens een eenjarig begeleidingstraject voor kinderboekenschrijvers van de Nederlandse organisatie Qissa werkte hij onder begeleiding van een coach aan een kinderboek over de Javaanse contractarbeid in Suriname. Hij ontdekte hoe onbekend Surinaamse kinderboekenauteurs als Gerrit Barron en Ismene Krishnadath bij mededeelnemers waren. Bovendien moest hij regelmatig uitleggen wat bepaalde Surinaamse ervaringen en begrippen betekenden.
De nadruk op leeftijdscategorieën, marketing en toegankelijkheid voor Nederlandse kinderen bemoeilijkte zijn schrijfproces. Hij vroeg zich af hoever hij daarin moest meegaan zonder zijn eigen stem als schrijver te verliezen. Een ander teleurstelling was dat hij voor zijn schrijfproject geen Surinaamse illustrator mocht inschakelen. De voorwaarden van het betrokken Nederlands fonds beperkten de samenwerking tot makers die in Nederland zijn gevestigd. Daarmee werd zo een financieringsmogelijkheid tegelijkertijd een belemmering om met makers uit Suriname samen te werken.
In het tweede gedeelte van de avond werden verschillende financieringsmogelijkheden besproken en concrete kansen voor makers. De discussie bracht ook de noodzaak van een eigen Surinaamse literaire infrastructuur naar voren. Behalve financiële ondersteuning zijn uitgevers en professionele redacteuren nodig om schrijvers verder te helpen.
Parisius-Sewotaroeno benadrukt tegelijkertijd dat Surinaamse schrijvers toegang moeten kunnen krijgen tot internationale fondsen. Immers, door de koloniale geschiedenis is het Nederlands ook hun taal, terwijl zij door vestigingsvoorwaarden bij bepaalde subsidieregelingen buiten de bootvallen.
The full article is being collected. Available text is shown for now.